|
 |
Geert over Hans Mak
INLEIDING HANS MAK INSTITUUT 18 FEBRUARI 2004
Dames en heren,
In de maand maart van het jaar 1946 verloor mijn broer Hans, toen negen jaar oud, in drie weken tijd zijn gezondheid, zijn vrijheid, en zijn pas verworven elektrische trein, en het was allemaal even erg. Negen maanden later kwam ik ter wereld, als een onbehoorlijk gezonde Hollandse baby, midden in een afgetobd, vermagerd oorlogsgezin. Het was asociaal, ik geef het toe. Maar ze waren toch erg blij met me, vooral Hans. Hij had wel geen trein meer, maar wel een broertje. Dat heeft onze relatie altijd enigszins bepaald.
Wie was Hans Mak? Laat ik met het begin van deze geschiedenis aanvangen. Hans was op 5 maart 1946 negen jaar geworden, de familie had drie barre jaren in Japanse interneringskampen achter de rug, mijn vader was net teruggekeerd uit Birma, het was zijn eerste echte verjaardag na de bevrijding. En bovendien kreeg hij een elektrische trein, een prachtige gelijkstroomtrein met twee wagons, glimmende rails en een zware gietijzeren locomotief met echte lichtjes, door mijn broer Gjalt op wonder-baarlijke wijze opgeduikeld in een oude speelgoedzaak in Medan, een ongelofelijk cadeau voor het kampjongetje dat Hans toen was.
Alles zou nu anders worden, en de trein, merk Hornby, uit dat verre, prachtige Engeland, was daarvan het symbool. Een middag mocht Hans ermee spelen, toen werd alles weer in de grote doos gepakt, het moest mee met de bagage. Een paar dagen later vertrok de hele familie, op mijn vader na, met het repatrie-ringsschip de Tjisidane terug naar Holland. De reis verliep voorspoedig. Het schip voer de Rode Zee in, Port Said naderde, maar eerst werd aangelegd bij de rede van Akaba.
Daar vlakbij waren tenten opgezet, waar iedereen Europese kleren kreeg, en waar de kinderen blij gemaakt werden speelgoed en poppen, allemaal van Canadese en Amerikaanse hulporganisaties. 'De meeste van ons,' zo vertelde Hans me jaren later, 'liepen nog steeds rond in hun kampkleren, in blouses van parachutegoed en broeken en rokjes van meelzakken, dus dat was een heel feest. Voor mij hadden ze een plus-four van visgraadstof uitgezocht, zo'n drollenvanger, en verder een jasje, een hemd en een overjas.'
Het was een grote tenthal, iedereen kreeg koffie en gebak zoveel als hij lustte, en al die Indische mensen gilden en juichten. Er speelde een band van Duitse krijgsgevangenen en, zo vertelde Hans, de mensen zeiden: 'Dat zijn nou moffen', maar ik was er niet bij weg te slaan. Ik had een idee dat 'moffen' niet zo erg waren. Het waren in ieder geval geen Jappen.'
Hij at die dag niet zoveel, want hij voelde zich niet lekker. 'Toen we weer door het Suezkanaal voeren en aan het avondeten zaten werd ik me toch opeens misselijk, ik was ziek, niet normaal. Het bleek een nierontsteking te zijn. Ik weet nog dat ik een groot beeld voorbij zag schuiven dat ik kende uit mijn aardrijkskunde boekjes, en van de rest van de reis weet ik eigenlijk niets meer. Er lag nog een jongen, en ik herinner me één gesprek, over een vliegtuig zonder propellers dat we in een krantje zien staan. We vroegen ons af of dat wel kon. Daarna waren we weer stil en ziek.'
Na aankomst werd Hans direct naar het ziekenhuis gesleept, en daar heeft hij maanden gelegen. Toen de trein werd uitgepakt bleek de gietijzeren locomotief te zijn kapot getrild. Het was allemaal waardeloos geworden. De doos werd in ons nieuwe huis in Leeuwarden op zolder weggestopt, samen met een half afgebouwd model van een superconstellation. Mijn broers lieten zich er soms nog iets over ontvallen, vage geruchten over vergeten schatten, zo klonken die verhalen mij als klein jongetje in de oren, en middagen lang zochten mijn vriendjes en ik tussen de zolderbalken nog naar al deze verloren dromen.
Zo verloor Hans voorgoed zijn gezondheid, medio maart 1945, negen jaar oud, en hij vond het erger dan de oorlog. Het ziekenhuis van Vlaardingen, waar hij belandde, beleefde hij pas als een échte gevangenschap, zo erg dat zijn herinneringen aan het Japanse interneringskamp steeds vrolijker werden gekleurd. Toen voelde hij zich althans nog vrij. 'Ik had een heimwee,' vertelde hij me later, 'niet voor te stellen. Ik had visioenen dat ik een tunnel door de aarde boorde om weer terug te komen in Indië.' Toen hij voor het eerst weer even op mocht probeerde hij direct, net als in het kamp, een gat te vinden in de omheining van het hospitaal. Hij vond het inderdaad.
Na die zomer zat bij Hans altijd het Beest op de nek, soms dichtbij, meestal wat verder weg, maar hij zat altijd achter hem aan, en Hans wist dat. Maar Hans had, bij alle ellende, in één ding geluk: de vooruitgang van de medische wetenschap liep jarenlang net één stap voor op het verloop van zijn ziekte.
Als jongetje kreeg hij in Vlaardingen, zoals toen nog gebrui-kelijk was, een zout- en eiwitloos dieet om zijn nieren te ontzien. Hij verzwakte uiteraard steeds meer omdat hij zo ook de eiwitten van zijn eigen lichaam begon op te eten. Dokter Borst, in het Amsterdamse Binnengasthuis, redde zijn leven dankzij een nieuw inzicht: je moest, via gedoseerde hangop, proberen bij deze patiënten de eiwitbalans weer in evenwicht te brengen. Penicilline was in die tijd een nieuw en revolutionair medicijn. Het wondermiddel redde ook Hans. De nierdialyse, in de jaren zestig ontwikkeld, kwam in 1971 voor Hans net op tijd. En toen bij hem de bijverschijnselen te groot werden, was de techniek om organen te transplanteren ver genoeg gevorderd om hem, in 1974, een nieuwe nier te bezorgen. Eentje van een levende persoon. Zijn, en mijn, eigen broer Cas. Maar zover was het nog lang niet, in de jaren waarin we samen opgroeiden
Mijn vroegste herinneringen aan mijn broer Hans hebben te maken met zijn kleding. die toen erg in de mode was: pull-over, manchester korte broek, overhemd - later had je ook van die engelse drollenvanger met van die geruite kousen. Ik zie hem nog op zo'n vroege winterochtend de bijbehorende schoenen vastknoop-te, ik vond het allemaal buitengewoon stoer.
Wij woonden vanaf de zomer van 1947 aan de Westersingel in Leeuwarden, waar mijn vader tot dominee was beroepen. Hans was toen weer redelijk op de been, en hij had al snel een hele kluit vriendjes om zich heen. Zo iemand hadden ze immers nog nooit meegemaakt. Hans kon, na al die kampjaren, alles immers beter en sneller dan die Friese kinderen, die nooit niets hadden meege-maakt. Ik heb, jaren later, een van zijn toenmalige speelkame-raadjes nog wel eens over hem horen vertellen. Hans was in hun ogen een mirakel. Kon het beste vuurtjes stoken van heel Leeuwarden, hij wist hoe je een kip moest slachten en hij braadde rustig een paar regenwormen op een heet gemaakt plaatje boven een gootpijp, om ze vervolgens op te eten. De Friese jeugd stond paf.
Leeuwarden was nog arm in die jaren. Zonder het te beseffen hadden mijn ouders en wij onze intrek genomen in een klein koninkrijk, beheerst door Hendrik Algra van het Christelijk Nationale Fries Dagblad, Sofridus van der Meer van het Gere-formeerd Gymnasium, Rients Schootstra van de knokploegen en de Phoenix fietsenfabriek, burgemeester Van der Meulen voor het openbare bestuur en mevrouw Smit voor het culturele leven - een deftige dame die we altijd betitelden met tok-tok.
Er waren rangen en standen, en er bestond een wereld tussen de dominees en de straatarme schippers aan de overkant en de stil gedragen schaarste van de Elisabethstraat. En daardoorheen liep dan nog eens de ijzeren scheidsmuur van het geloof: de roden van de openbare School 16, de roomsen van de limonadefabriek die bij ons achter woonden, de heidenen die in de hel kwamen maar wel naar het circus mochten en wij, als veilige vaste burcht aan de Westersingel.
U zult het vreemd vinden: maar wij hadden in die beklemde wereld waanzinnig veel plezier. Juist ook om die beklemde wereld. Hans kon iedere dominee en iedere hoofdonderwijzer nadoen, zijn spotlust kende werkelijk geen grenzen. In die zin was hij toen al een denker en een doener buiten de geëigende kaders en instituties.
We gingen naar de treinen kijken - eerst naar de grote stoom-locomotieven die op Leeuwarden reden, die angstwekkend razend en stomend het station binnenkwamen en dan als zwetende monsters bleven staan en puffen. En toen, op een meidag in 1952, zagen we voor het eerst die stille, zeeggroene wondermachine die op elektriciteit reed, en waar iedereen omheen dromde, en waarvan later een model in triomf boven de menigte naar de Wilhelmina-baan gedragen werd, zo haalde Friesland de nieuwe tijden in.
Hans maakte een terugtraprem op mijn step, legde me uit wat een hoer was, en hoe een stoommachine werkte, en dat zonde altijd ontzettend leuk was, want anders zouden mensen uit zichzelf wel braaf zijn. En hij vertelde dat mijn ballon, die weggevlogen was, ongetwijfeld met gejuich zou worden ontvangen door de kindertjes in de hemel, want zoveel speelgoed was daar ook weer niet. En 's ochtends at hij smerige gistvlokken, en zout was ook taboe, maar ik wist niet beter, en hij geloof ik ook niet. De motor van de verloren Hornby-locomotief had hij nieuw leven in weten te blazen, en het ding dreef de meest schitterende Mecano-constructies aan, hijskranen en hefbruggen, die hij en zijn vriendjes op zolder bouwden. En toen ik acht werd was er zelfs alweer voldoende geld om een nieuwe elektrische trein te kopen, een Märklin, bijna net zoveel een speelgoed van Hans als van mij. We lagen 's ochtends samen onder de dunne dekens, terwijl de regen tegen de ruiten kletterde, en we maakten samen de choco-lade auto en de pepernoten buit die we in onze schoenen gevonden hadden, en het was warm en veilig, en alles zou altijd zo blijven, in het Leeuwarden van 1954.
Hans is altijd een naar buiten geklapt mens gebleven. Hij hield van mensen, en van de wereld, en van het leven. In een oude brief van mijn moeder, uit april 1938, vond ik een hele vroege notitie over de kleine Hans, één jaar oud, die toen net los be-gon te lopen, eindeloos door huis en tuin. 'Hij ziet overal mogelijkheden, schreef mijn moeder. 'Mooi, mooi,' zegt hij dan, en stevent erop af.' Zonder het te weten tekende mijn moeder in die ene zin een belangrijk deel van het volwassen leven van Hans: 'Mooi, mooi', en daar stevende Hans alweer op een nieuw project af - overigens niet altijd tot genoegen van degenen die hem het meest te na stonden. Want Hans had een sterk gevoel voor plicht - en daarmee vergat-ie wel eens dat andere dingen ook belangrijk zijn.
Hans had een fleurig wereldbeeld. Zelfs als hij zich kwaad maakte, zelfs als mensen nare streken met hem uithaalden, bleef hij het positieve zien. En dan was er de speelsheid en de humor, waarmee hij de werkelijkheid altijd weer een rare draai gaf, of het nu ging om dat rare gereformeerde Leeuwarden waarin we beiden opgroeiden, of om de Vrije Universiteit waar hij in 1956 ging studeren, of om de Hoogovens, waar hij perso-neelsfunctionaris werd, of om Nijenrode en de advieswereld, waarin hij daarna belandde.
Je kon dus ontzettend met hem lachen, maar wat helemaal binnenin Hans zat, daar kreeg je moeilijk hoogte van, zelfs als je hem meer dan een halve eeuw had meegemaakt. Eén sleuteltje gaf Hans in de gesprekken die ik met hem voerde als voorbereiding voor mijn latere boek over de familie. 'Wat vond ik die Nederlandse mensen gek!' vertelde hij me over zijn eerste jaren in Holland. Je mocht niet naar films, je mocht niet op zondag fietsen, je moest perse zus, je mocht nooit zo, wat een idioot land was dit.
Daarbij kwam dat Hans, net als mijn andere broers en zusjes, in de oorlog natuurlijk heel veel gezien had. 'Wij hadden in het kamp zoveel volwassenen gezien die zoveel rare en zelfs gemene dingen deden, dat we ieder respect voor volwassenen verloren hadden,' zei onze zus Tineke in diezelfde gesprekken. 'Wij dachten ontzettend vrij.' En die levenshouding botste uiteraard permanent met het aangeharkte Nederland, waarin deze familie na de oorlog weer terechtkwam.
Dat gold zeker voor Hans. Want wat Hans ook kon besturen en organiseren in zijn nette pak, binnenin hem bleef altijd Soerabya Johnny wonen, die vuurtje stookte en wormen roosterde. Toen hij na bijna een halve eeuw weer door een Indische kampong liep kwam het nog terug, vertelde hij me, dat gevoel. Toen wist hij namelijk weer wat normaal was.
Nu heeft Hans van dat lichte gevoel van vervreemding in zijn latere leven ook veel profijt heeft gehad, en het waarschijnlijk zelfs gecultiveerd. Hans was namelijk, en dat moet toch ook gezegd worden, kei in zijn vak. Hij gold, dat heb ik altijd van iedereen gehoord, als een buitengewoon kundig adviseur, zeer belezen en tegelijk vaak verrassend en vernieuwend. Hij wist, en dat deed hij op allerlei terreinen, mensen te inspireren en in zijn geest voort te laten werken. Hij was een buitengewoon sociaal mensen, en de resultaten van zijn werk waren dan ook nooit alleen van hem. Veel anderen hebben altijd achter en naast hem gestaan - in de allereerste plaats zijn vrouw Marianne, die die hele ziekte -en gezondheidsgang van veertig jaar met hem heeft gedeeld. Ik denk dat Hans echter ook zo'n goede vakman was, omdat hij een wonderbaarlijke combinatie bezat van be-trokkenheid en losheid. En die losheid bezat hij dankzij die innerlijk vrije Soerabaya Johnny. Was het altijd leuk om met zo'n Johnny te leven? Ja en nee, denk ik. Ja, vanwege het plezier en het avontuur, nee, vanwege zijn overmatige werken, met daarbij nog eens, zeker in de jaren zeventig, al die bijverschijnselen van een langdurig pretnis-ongebruik die iedere patiënt en zijn familie maar al te goed kennen, en waar je zelden of nooit een arts voor hoort waarschuwen.
Na zijn transplantatie, in 1974, begon voor Hans een totaal nieuw leven. Hij had onder de afrastering weten door te kruipen, en voor het eerst in zijn volwassen bestaan hoorde hij weer bij de wereld van de gezonden. Hij was euforisch. Hij pakte van alles aan, hij veranderde van baan, hij regelde, bestuurde, adviseerde, hij gooide zich met groot enthousiasme in duizend en één projecten. Maar tegelijk wilde hij, minder dan ooit, voor de buitenwereld nog weten dat hij iets had.
Het is vreemd, maar mijn broer, ooit voorzitter van de Lande-lijke Vereniging van Dialysepatiënten, was een stelselmatige weigeraar van het etiket patiënt. Zijn ziekte behandelde hij als een ongenode gast in zijn huis, die hij zoveel mogelijk ne-geerde. Hij weigerde categorisch een leven als patiënt, als kasplant. Toen hij in 1971 doodziek was omdat zijn nieren het bijna niet meer deden weigerde hij aanvankelijk om aan de dialyse te gaan. De machine met slangen en draden beleefde hij, na het Vlaardingse ziekenhuis en het Binnengasthuis, als een nieuwe gevangenis. Alleen omwille van zijn jonge kinderen gaf hij toch toe.
Toen drie jaar later, na de transplantatie, tegen alle ver-wachting in een forse afstotingsreactie plaatsvond, besefte iedereen om hem heen dat hij, als het mis zou gaan, iedere verdere dialyse zou weigeren. Opnieuw: een kasplant wilde hij nooit worden. Gelukkig kwam alles toch nog goed. En patiënt wilde hij nooit meer zijn. Hoe hij dan toch jarenlang voorzitter werd van de LVD? Een collega-patiënt probeerde hem over te halen om actief te worden in de patiëntenvereniging, en daarmee ontstond voor Hans een enorm dilemma: moest hij blijven ontkennen, of juist van binnenuit gaan zorgen dat mensen als nierpatiënt volwaardig mee zouden kunnen doen aan de maatschappij. De keuze viel op het laatste. 'Daarmee heeft hij,' zo schreef mijn schoonzuster Marianne later in het nierpatiëntenblad Wisselwerking, 'de erkenning van zijn nierziekte als zijn werkelijkheid en het gevecht om de erkenning van de nierpatiënt opgepakt. Het werk voor de LVD, zo schreef ze, heeft hem psychisch geholpen om ook zichzelf te aanvaarden.' Het was voor hem, kortom, een opgave, maar ook een troost.
In de winter van 1996, op mijn vijftigste verjaardag, brachten Hans en ik weer eens een dag samen door, enkel met ons tweeën. Dat hadden we in jaren niet gedaan. We reden naar Rotterdam, bezochten een jarig kleinkind, lunchten met een oude tante, en brachten, je gelooft het niet, zeker een uur door in een speelgoedtreinenzaak ergens in Overschie. Die Hornbytrein is, bij ons allebei, altijd blijven spoken.
Een halfjaar later werd een kwaadaardige tumor bij hem ontdekt. Hij zag af van een verdere behandeling, hij was een professionele patiënt, hij had genoeg complicaties en andere ellende gezien, opnieuw: nooit een kasplant, nooit enkel een prooi van dokters worden.
Ik had een lieve broer met een beest op zijn nek, een vijand waarmee hij nooit vrede sloot, toch had hij een rijk en gezegend leven, en toen hij moest capituleren was hij dapper en fier.
|
|